Stele III oogt als een archaïsch fragment – ruw, rechtopstaand, en tegelijk innerlijk geconcentreerd. De basaltvorm verenigt natuurlijke breuken met doelgerichte ingrepen: Een diep uitgeholde, mat gepolijste insnijding loopt over de voorzijde als een spoor, alsof water het gesteente door de eeuwen heen heeft uitgesleten. Aan de achterzijde versmalt die zich tot een organisch gebogen groef – een surreëel moment waarin de steen zelf lijkt te vloeien.
Berger speelt hier met de waarneming van materiaal: De gladde, uitgesleten ogende vlakken contrasteren met de ruwe buitenkant. Het lijkt alsof het binnenste van de steen is gaan smelten – of is gevormd door erosie, slijtage of geologische druk. Deze illusie van stroming geeft het werk een stille dynamiek die balanceert tussen natuurfenomeen en menselijke handeling.